
Lichaamstaal
Voor een volk dat zichzelf zo roemt om haar gezelligheid, zijn wij Nederlanders maar een stel onbedaarlijke chagrijnen. Tenminste, als je afgaat op onze lichaamstaal op straat. Is u dat nooit opgevallen? Negentig procent van de mensen die ik in het wild zie lopen, schuift knorrig en naar binnen gekeerd over de stoep, mondhoeken naar beneden en hoofd op onweer. Nu zegt lichaamstaal ook niet alles. Donderwolken op straat zijn misschien wel de grootste huiskamerkomedianten. Maar die kerel van de week, op dat bruggetje achter die school, ik ben er nog steeds een beetje verbouwereerd over.
Het is een voetgangersbruggetje en ik fietste er overheen. Dat zeg ik er meteen maar even bij. Ik fiets daar altijd overheen. Iedereen fietst daar altijd overheen, omdat de doorgaande routes in mijn dorp bij elkaar zijn verzonnen door iemand zonder fiets in zijn schuur.
Maar laat ik er dan ook meteen bijzeggen: ik fiets er altijd heel erg langzaam. Ik zou willen dat dit vanwege mijn bedachtzame en voorzichtige aard is, vanwege mijn compassie met voetgangers, en dat is ook wel een beetje zo, maar het is vooral vanwege mijn dochtertjes dat ik in een soort sur place over ‘t bruggetje schuif. Die vinden eendjes namelijk al jaren een soort achtste wereldwonder.
Maar dus. Van de week op het bruggetje. Voor me reed een oudere mevrouw. Ze stapte af, want ze kwam een bekende tegen, een oudere meneer te voet. Ze wenkte naar hem: even aan de kant, er komt nog een fietser aan. Daarbij glimlachte ze vriendelijk naar me. In mijn hoofd hoorde ik harpjes spelen.
Maar de meneer stapte niet opzij. Hij maakte zich juist extra breed, zodat ik er niet meer langs kon. Weg harpjes. “Het is hier een VOET-pad!” baste hij zo luid mogelijk, zonder mij aan te kijken. Nu ben ik met name heel adrem als ik weer thuis ben, dus ik stond aardig met mijn bek vol tanden. Natuurlijk had hij gelijk, het was een voetpad, maar de naar binnen geslagen onverdraagzaamheid die van zijn bonkige schouders afstraalde, deed me rillen.
Waarom keek hij niet even om? Dan zag hij geen levensbedreigende vijand, maar een vrolijke vader met twee lieve kinderen, vast van plan om heel voorzichtig langs te fietsen. Waar was hij nou zo bang voor?
Zou het mijn lichaamstaal zijn?
Want iemand met een lach op zijn gezicht, zomaar op straat, die moet wel bezopen zijn.
Ralph Ploeger
www.ralphp.nl
Lees meer van Ralph P.
Ik schaats dus ik ben
Uggly Uggs
Dit was niet zo’n dag
Het zit op de bank en eet chips
Vol op de bek



